| Een werkwoord is een woord dat ik kan vervoegen. Vervoegen is het woord in een andere vorm zetten. Een werkwoord kun je in de zin tegenkomen als 1 persoonsvorm, als 2 voltooid deelwoord, als 3 infinitief, als 4 een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord en als 5 een onvoltooid deelwoord. |
| In een werkwoordschema kan dat er alsvolgt uitzien: |
Naar een idee van HLM Spitters/SRMT (2000) |
| De persoonsvorm, het voltooid deelwoord en de infinitief zijn in de zin werkwoorden. De persoonsvorm is meestal het tweede zinsdeel in de zin. Het voltooid deelwoord en de infinitief staan meestal achterin de zin. Bij het voltooid deelwoord staat altijd een vorm van 'hebben', 'zijn' of 'worden'. De intinitief schrijf je als het hele werkwoord. De infinitief staat vaak samen met een werkwoord als 'gaan', 'kunnen' en 'moeten'. De infinitief staat nooit op de plaats van en is dus nooit de persoonsvorm. |
| Het belangrijkste werkwoord in de zin is meestal het zelfstandig werkwoord (zww). Het geeft aan wat het onderwerp doet. Ze worden ook wel doewoorden genoemd. In een zin kan maar één zelfstandig werkwoord staan. Het staat altijd in een zin met een werkwoordelijk gezegde. |
| Een tweede groep van werkwoorden, die je in de zin kunt tegenkomen, is de groep van de hulpwerkwoorden (hww). Er kunnen meerdere hupwerkwoorden in een zin staan. De volgende werkwoorden zijn bijvoorbeeld vaak hulpwerkwoord: hebben, zullen, moeten, gaan, zijn, kunnen, mogen, willen. |
| De derde groep van werkwoorden is de groep van de 9 koppelwerkwoorden (kww). Deze leggen we uit bij het naamwoordelijk gezegde. |