| Dit zijn woorden die je vooral in de maatschappij gebruikt. Je leert ze vooral op school. | | |
| Dit zijn werkwoorden die aangeven wat en hoe je iets moet doen. | | |
| Dit zijn woorden die vooral gebruikt worden bij een bepaald vak of beroep. Ook wel vakjargon genoemd. | | |
| vakjargon | | |
| Dit is het woord zonder letter(s) ervoor of erachter. Dit is het woord waarvan men is uitgegaan. | | |
| Dit is het woord dat je gebruikt om informatie op te zoeken of om bij informatie te komen. | | |
| zoekwoord | | |
| basisvorm | | |
| Korte, krachtige, vetgedrukte regel boven een tekst, die aangeeft waarover de tekst gaat. | | |
| Een of twee vetgedrukte woorden boven een alinea/alinea’s, die het deelonderwerp aangeven. Ze maken de tekst overzichtelijker. | | |
| Aantal zinnen bij elkaar die gaan over een deelonderwerp. | | |
| Dit is een onderdeel van het onderwerp. | | |
| een manier van lezen | | |
| Dit is de reden waarom je op een bepaalde manier leest. | | |
| De manier (manieren) waarop je iets aanpakt. | | |