01
De inbreker had in de kamer alles [?] achtergelaten.
02
Voor de lunch heeft mijn vader alles [?] gezet.
03
[?] moesten wij onze koffers pakken.
04
Na lang [?] besloten we naar Sicilië te vertrekken.
05
Wüst had de overwinning op de ploegenachtervolging [?] verdiend.
06
Hij vertrok [?] naar het radioactief besmette gebied.
07
Na de tsunami had hij [?]; hij stond er nu alleen voor.
08
Onze buurman is geen uitslaper; [?] staat hij al in zijn moestuin te werken
09
De ploegleider heeft rondom de ploeg alles [?].
10
In de ongelijke strijd werd de nieuweling [?] geslagen.
11
Op deze terp zitten we voor het wassende water voorlopig [?].
12
De advocaat stond zijn cliënt [?] bij.
13
Zij gaf zich niet zomaar gewonnen; ze verzette zich [?].
14
Over de beslissing valt niet te discussiëren; het is [?].
15
Nederlandse trainers staan [?] bekend om hun kundigheid.